Genade

Jos rende achter Marijke aan, zijn korte beentjes konden hem maar nauwelijks bijhouden. Toen hij de aldoor giechelende en lachende Marijke eindelijk had ingehaald duwde hij haar op de grond, en begon haar te kietelen. "Stop! Genade, genade!" riep Marijke al lachend, terwijl haar vriendje vrolijk doorging met plagen.

Waarschijnlijk herken je bovenstaand gebruik van het woord genade wel. De hedendaagse samenleving gebruikt het woord met name op soortgelijke manieren, getuige ook een van de twee betekenissen die Van Dale eraan geeft: "vergevensgezindheid van overwinnaars, rechters enz." In het bovenstaande verhaaltje is Jos de overwinnaar, en vraagt Marijke aan Jos haar genade te tonen door te stoppen met kietelen. Maar de andere betekenis van genade houdt christenen over het algemeen een stuk meer bezig. Van Dale verwoordt deze betekenis als "goedheid van God", en dat is helemaal geen gekke omschrijving. Paulus had ook zo zijn ideeën over genade, en geïnspireerd door de Heilige Geest schreef hij hier regelmatig over. In deze post kijken we naar Romeinen 4-6, en wat hier staat over genade.

Romeinen 5 begint met een belangrijk woord in het Grieks, namelijk οὔν (oen). In het Nederlands is dat vertaald met "dus" (NBV) of "dan" (NBG51). Het woordje is altijd een verbinding met iets wat daarvoor gezegd is, en geeft aan dat wat er nu volgt een conclusie is die je daaruit kunt trekken. Romeinen 5 bouwt dus verder op een voorafgaand idee, in dit geval rechtvaardiging door geloof. Hierover valt op zich al genoeg te zeggen, en wellicht dat ik hier in de toekomst ook nog weleens een artikel over schrijf, maar voor nu is het belangrijkste wat ik hier uit wil lichten het woordje geloof. Het woord geloof wordt op zeer uiteenlopende manieren gebruikt door mensen, van een cognitief geloven van een bepaalde zaak, tot het hebben van een bepaalde mate van geloof dat God een wonder doet. In dit geval heeft het echter een betekenis die sterk gelinkt is met hoofdstuk 4. Daar lezen we hoe Abraham door God als rechtvaardig werd aangezien op basis van zijn geloof. Paulus merkt op in Rom. 4:18 dat het geloof van Abraham inhield dat hij God geloofde toen Hij zei dat Abraham de vader van vele volken zou worden. Het geloof van Abraham was dus een sterk vertrouwen dat God zou doen wat Hij had beloofd. Geloven in deze context is een hartgesteldheid die van binnen altijd "JA!" roept naar God, uit liefde en devotie. Het Griekse woord πίστις (pistis) kan ook zowel geloof als vertrouwen betekenen. Het is dit geloof dat Paulus dus ook weer aanhaalt in Rom. 5:1, wanneer hij zegt:

"Wij zijn dus als rechtvaardigen aangenomen op grond van ons geloof en leven in vrede met God, door onze Heer Jezus Christus" (NBV)

We zijn als rechtvaardig aangenomen niet op grond van een aantal dingen die we geloven over Jezus, niet omdat we zoveel geloof hebben dat God onze buurman geneest, maar op grond van het feit dat we een sterk vertrouwen in God hebben. Maar waar vertrouwen we God dan precies in? Dat beschrijft Paulus in de laatste verzen van hoofdstuk 4:

"En dit is niet alleen voor hem geschreven, maar ook voor ons, want ook wij zullen als rechtvaardigen worden aangenomen omdat we geloven in hem die Jezus, onze Heer, uit de dood heeft opgewekt: hij die werd prijsgegeven om onze zonden en werd opgewekt omwille van onze rechtvaardiging"

De opstanding van Jezus was niet zomaar een bovennatuurlijk levend maken van een dood lichaam. Dat gebeurde wel vaker in de bediening van Jezus, zoals in de evangeliën te lezen is. De opstanding van Jezus was veel bijzonderder dan dat. Aan het kruis nam Jezus al onze zonden op zich. Hij werd als het ware de grootste zondaar ooit; hij vereenzelvigde zich met moordenaars, dieven, verkrachters en terroristen. Alle zonden lagen op Jezus, en God strafte al deze zonden eens en voor altijd, resulterend in de dood van Jezus. De opstanding van Jezus heeft daarom een hele diepe bijzondere betekenis: het geeft aan dat er geen zonde meer was voor God om te straffen; alle zonden die Jezus op zich had genomen waren nu gestraft. Wij delen in deze opstanding. Vertrouwen op God betekent dat wij geloven dat ook in ons leven er geen enkele zonde meer is die door God gestraft moet worden omdat we delen in de dood en opstanding van Jezus. Hierdoor worden wij rechtvaardig verklaard door God en zijn we met God verzoend. Geloof wordt zo dus ontzettend persoonlijk; het is niet slechts het geloven dat bepaalde feiten waar zijn, maar het is een persoonlijk vertrouwen in God dat er niets is in jouw leven wat nog straf verdient.

Paulus realiseert zich ook dat dit niet het hele verhaal is, en gaat verder in hoofdstuk 5:2 met het volgende:

"Dankzij hem hebben we door het geloof toegang gekregen tot Gods genade, die ons fundament is, en in de hoop te mogen delen in zijn luister prijzen we ons gelukkig" (NBV)

Het geloof verschaft dus toegang tot Gods genade, maar waar bestaat die genade dan precies uit? Volgens Paulus is dat het feit dat Jezus voor ons is gestorven terwijl we nog zondaren waren. Paulus begint met te zeggen dat wij mensen eigenlijk maar zeer sporadisch ons leven voor elkaar geven, wat in het beste geval ook nog eens zou zijn voor een goed mens waarvan we denken dat hij/zij het verdient. Maar Jezus stierf voor ons toen we nog vijanden van God waren. De Romeinen brief gaat verder met een vergelijking tussen Adam en Jezus. Door Adam kwam zonde en dood de wereld in, maar de genade die door Jezus de wereld binnenkwam is veel groter. Paulus schetst hier het volgende beeld. Toen wij nog zondaren waren gaf Jezus alles wat Hij had om ons te verzoenen met de Vader. Als God al zoveel heeft gedaan voor mensen die nog vijanden van Hem waren, hoeveel te meer zal Hij dan wel niet doen voor Zijn eigen kinderen? Paulus doelt hier op de hoop die wij hebben om eens een verheerlijkt lichaam te ontvangen en voor eeuwig bij God te zijn. Hij voegt nog toe dat met de wet ook de zonde toenam, en met de zonde ook de genade.

In hoofdstuk 6 stelt hij dan de retorische vraag of als dit dan waar is, moeten we dan niet gewoon blijven zondigen zodat we meer genade kunnen ervaren? Dit beantwoordt hij met een duidelijke nee. Toen wij stierven met Jezus is ook onze oude, zondige natuur gestorven met Jezus, waardoor we niet meer hoeven te zondigen. De situatie voor het kruis was als volgt. In beide handen hadden we een touw vast. Aan het uiteinde van het ene touw trok zonde ons zijn kant op, terwijl aan het andere touw God ons meetrok. Voor iedereen die in de dood van Jezus deelt door zijn geloof te stellen op Hem, valt het touw met de zonde compleet weg; er is nog maar één kant waar je naartoe getrokken wordt, en dat is God. Dat betekent natuurlijk niet dat het onmogelijk is om nog te zondigen, en ook christenen maken nog vaak genoeg de verkeerde keuzes. Maar de macht van de zonde die ons voorheen in gebondenheid hield is compleet verbroken door het kruis. Dat is de andere kant van genade. Aan de ene kant is het dat fantastische cadeau van God van verzoening met Hem, aan de andere kant is het ook de kracht die ons in staat stelt om naar Gods wil te leven. Er wordt vaak gezegd dat bij Paulus het imperatief (gebiedende wijs) na het indicatief (aantonende wijs) komt. Oftewel, bij Paulus is het zo dat onze huidige staat als rechtvaardigen ons in staat stelt om meer op Jezus te gaan lijken. Beiden zijn genade, en dat is het mooie van het leven met God. We mogen vertrouwen dat er geen zonde meer is die gestraft dient te worden in onze levens, en de zonden die we nog steeds begaan worden steeds minder door Gods genade die werkt in ons leven om ons steeds meer op Jezus te doen lijken. Dat is pas Amazing Grace!

Tags: theologie, genade, bijbelwetenschappen, genadeleer, paulus, romeinen